Spaans : Nederlands creer = geloven / denken masculino = mannelijk femenino = vrouwelijk la playa = het strand la montaña = de berg el museo = het museum el vino = de wijn el diálogo = de dialoog / het gesprek nuevo = nieuw muy = erg / heel buen / bueno = goed pasear = wandelen ¿por qué? = Waarom? porque = omdat yo = ik tú = jij él = hij usted = u (enkelvoud) nosotros = wij vosotros = jullie ellos / ella = zij ustedes = u (meervoud) visitar = bezoeken descubrir = ontdekken salir = uitgaan la discoteca = de discotheek el sofá = de bank la mano = de hand la moto = de motor la gente ev = de mensen muy bien = heel goed bastante bien = behoorlijk goed regular = matig / niet zo mal = slecht (bijwoord) nada de = niets / helemaal geen