Spaans : Nederlands el tiempo = het weer hace frío = het is koud nevar (ie) = sneeuwen hace viento = het waait hace sol = de zon schijnt está nublado = het is bewolkt hay nubes = er zijn wolken la selva amazónica = het Amazonewoud el Sáhara = de Sahara Inglaterra = Engeland Siberia = Siberië el Caribe = de Caraïben el verano = de zomer el otoño = de herfst el invierno = de winter la primavera = de lente