Spaans : Nederlands sorprender = verbazen mostrar = laten zien la imagen = het beeld sorprendente = verrassend varios = verscheidene el carnaval = het carnaval el béisbol = het honkbal nacional = nationaal cubano = Cubaans el salar = de zoutvlakte Bolivia = Bolivia la sal = het zout la tonelada = ton (1000 kilo) cerca (de) = dicht bij el descendiente = de nakomeling por eso = daarom el aspecto = het aspect el santuario = het toevluchtsoord / het sanctuarium la reserva natural = het natuurreservaat la mariposa = de vlinder pasar = doorbrengen el mes = de maand a partir de = vanaf noviembre = november marzo = maart completamente = compleet / volledig planificado = gepland la forma = de vorm la cuadrícula = de ruit / de vierhoek construido = gebouwd a partir de = vanaf