Spaans : Nederlands llevar = meenemen el secador de pelo = de föhn el apartamento = het appartement el gel de baño = de douchegel la chaqueta = het jasje / het jack el pantalón / los pantalones = de broek el biquini = de bikini la ropa interior = de onderkleding la chancleta = de teenslipper la toalla de playa = het strandlaken las gafas de sol = de zonnebril la aspirina = de aspirine el mp3 = de mp3 el carné de identidad = het identiteitsbewijs el dinero = het geld la tarjeta de crédito = de creditcard el cepillo de dientes = de tandenborstel el cepillo = de borstel la pasta de dientes = de tandpasta la crema solar = de zonnebrandcrème el champú = de shampoo salir = weggaan el ordenador portátil = de / laptop