Spaans : Nederlands tienes que = moet je tener (g) que = moeten el extranjero = het buitenland tomar el sol = zonnen la piscina = het zwembad el bañador = het badpak el gorro = de pet las gafas mv = de bril la ropa de deporte = de sportkleding el protector solar = de zonnebrandcrème el pasaporte = het paspoort la fiesta de cumpleaños = het verjaardagsfeest