Spaans : Nederlands el cuadro = het schema desear = wensen quería = (ik / hij / zij / u) zou graag willen el color = de kleur mire = ziet u / kijkt u ¿Cuánto cuesta(n)? = Hoeveel kost het? Hoeveel kosten ze? ¿cuánto / -a? = Hoeveel? costar (ue) = kosten el céntimo = de cent vale = oké decir (g) = zeggen al final = uiteindelijk viejo = oud la maleta = de koffer el perfume = het parfum elegante = elegant rosa = roze lila = lila / paars beis = beige el regalo = het cadeau