Spaans : Nederlands el gigante = de reus presente = aanwezig el secreto = het geheim el éxito = het succes la calidad = de kwaliteit pertenecer (zc) = horen bij el grupo empresarial = de ondernemersgroep actualmente = tegenwoordig juvenil = jeugd- dirigido = gericht el público = het publiek joven = jong dedicado = gewijd especializado = gespecialiseerd la cadena = de keten la multinacional = de multinational fabricar = maken / fabriceren crear = creëren la distribución = de distributie primer / primero = eerste Francia = Frankrijk Holanda = Nederland / Holland Japón = Japan aparecer (zc) = verschijnen el dato = het gegeven la creación = de creatie / hier: de oprichting estar presente = aanwezig zijn el número = het aantal / het getal total = totaal-