Spaans : Nederlands el árbol genealógico = de stamboom el marido = de echtgenoot / de man el hijo / la hija = de zoon / de dochter el nieto / la nieta = de kleinzoon / de kleindochter el tío / la tía = de oom / de tante adonde = waarheen Londres = Londen familiar = persoon die graag bij de familie is / familie- el campamento = het kamp disfrutar = genieten igualmente = hetzelfde / jij ook guapo = knap feo = lelijk delgado = dun / slank rubio = blond aburrido = saai abierto = open cerrado = gesloten serio = serieus majo = aardig inteligente = intelligent alegre = vrolijk sociable = sociaal el baloncesto = het basketbal el golf = het golf el viernes = de vrijdag quedarse en casa = thuisblijven el ex marido / la ex mujer = de ex-man / de ex-vrouw la pareja = de partner