Spaans : Nederlands el test = de test cuidar la imagen = het uiterlijk verzorgen ¿cuánto tiempo? = hoelang? vestirse (i) = zich aankleden la hora = het uur el minuto = de minuut la peluquería = de kapsalon una vez al mes = een keer per maand casi nunca = bijna nooit maquillarse = zich opmaken afeitarse = zich scheren a veces = soms ponerse (g) = opdoen especial = speciaal mirarse = naar zichzelf kijken el espejo = de spiegel el escaparate = de etalage odiar = een hekel hebben aan hacer deporte = aan sport doen como mínimo = op z’n minst / ten minste la crema = de crème la cara = het gezicht el cuerpo = het lichaam planchar = strijken el resultado = het resultaat la mayoría = de meerderheid presumido = ijdel demasiado = te seguramente = vast en zeker