Spaans : Nederlands el personaje = het personage el dibujante = de tekenaar curioso = nieuwsgierig entusiasmar = enthousiast worden van a menudo = vaak crítico = kritisch la situación política = de politieke situatie la injusticia = de onrechtvaardigheid soñar (ue) (con) = dromen (over / van) bruto = lomp la escuela = de school ganar dinero = geld verdienen de mayor = later / als hij groot is abrir = openen el supermercado = de supermarkt diferente = anders la vida = het leven los demás = de anderen criticar = bekritiseren el centro = het middelpunt el universo = het universum casarse = trouwen tener (g) hijos = kinderen krijgen / hebben atreverse = durven los deberes = het huiswerk ya no = niet meer existir = bestaan vago = lui indeciso = besluiteloos egocéntrico = egocentrisch cotilla = roddelaar / kletskous trabajador = hardwerkend ambicioso = ambitieus idealista = idealistisch estudioso = ijverig la tira cómica = de grappige strip