Spaans : Nederlands los Reyes Magos = de Drie Koningen la carta = de brief dar = geven la cabalgata = de optocht llegar = aankomen la calle = de straat volver (ue) = teruggaan el balcón = het balkon el agua = het water en realidad = in werkelijkheid / eigenlijk la habitación = de kamer la cama = het bed despertarse (ie) = wakker worden gritar = schreeuwen el carbón = de houtskool un rato = een tijdje preparar = maken / bereiden el desayuno = het ontbijt el avión = het vliegtuig perdone = pardon la tarde = de middag / de avond el mediodía = tussen de middag el baño = het toilet desayunar = ontbijten