Spaans : Nederlands la encuesta = de enquête tomar = drinken / nemen la leche = de melk el azúcar = de suiker el limón = de citroen el refresco = de frisdrank el hielo = het ijs (bevroren water) / het ijsblokje del tiempo = van het seizoen artesanal = zelfgemaakt caliente = warm natural = naturel / hier: niet uit de koelkast el pimiento = de paprika el ajo = de knoflook el vinagre = de azijn la naranja = de sinaasappel el arroz = de rijst el acompañamiento = het bijgerecht el licor = de likeur al horno = uit de oven deber = moeten / hier: schuldig zijn el alcohol = de alcohol el almuerzo = het middageten / de lunch almorzar = eten / lunchen merendar = een tussendoortje eten la cena = het avondeten / het diner la tostada = het geroosterd brood el cruasán = de croissant