Spaans : Nederlands el taco = de taco hecho = gemaakt el maíz = de maïs enrollado = opgerold dentro = binnen la salsa = de saus aunque = hoewel ahora = nu el puesto = de kraam la taquería = de tacotent soler (ue) + inf = gewend zijn / normaal gesproken doen + infinitief de pie = staand la bicicleta = de fiets la canasta = de grote mand la arepa = de maïskoek la harina = het meel rellenar = vullen distintos = verschillend a la parrilla = van de grill el aguacate = de avocado incluso = zelfs la mantequilla = de boter ambulante = rijdend / rondreizend la cafetería = de lunchroom / de koffietent la arepera = kraam waar je arepa’s kunt kopen la masa = het deeg mezclado = gemengd / gemixt envuelto = ingepakt la hoja = het blad / het vel el plátano = de banaan el relleno = de vulling el vegetal = de groente dulce = zoet salado = gezouten América Central = Midden-Amerika el noroeste = het noordwesten la zona = het gebied / de regio andino = van de Andes el norte = het noorden callejero = straat- / van de straat generalmente = over het algemeen / meestal tamalería = kraam waar je tamales kunt kopen la celebración = de viering el cumpleaños = de verjaardag la Navidad = de Kerst febrero = februari el anticucho = de kebab el pincho = het hapje (met prikker) la brocheta = de grillspies adobado = gemarineerd el ají = de rode peper la especia = het kruid el corazón = het hart la res = het rund el buey = de os la anticuchera = de kebabkraam la papa = de aardappel (Latijns-Amerikaans) el choclo = het maïsgerecht el camote = de zoete aardappel la parrillada = de mixed grill el trigo = de tarwe picado = fijngehakt el entrante = het voorafje cualquier = op welk … dan ook