Spaans : Nederlands el candidato = de kandidaat limpio = schoon saber + inf = kunnen / weten hoe te … la batería = het slagwerk la trompeta = de trompet fuera = buiten poner (g) la lavadora = de wasmachine aanzetten la aventura = het avontuur ¡qué suerte! = Wat een mazzel! muchas veces = vaak varias veces = verscheidene keren un par de veces = een paar keer una vez = een keer sin = zonder optimista = optimistisch pesimista = pessimistisch realista = realistisch leal = trouw