Spaans : Nederlands relacionar = verbanden leggen la manera = de manier el experto / la experta = de expert predominante = overheersend independiente = onafhankelijk analítico = analytisch cómodo = op zijn gemak la regla = de regel planificar = plannen autónomo = autonoom / zelfstandig dar importancia = belang hechten aan en cambio = daarentegen el contexto = de context el ejemplo = het voorbeeld el uso = het gebruik visual = visueel auditivo = auditief cinestésico = kinesthetisch tomar notas = aantekeningen maken retener = tegenhouden experimentar = ondervinden / uitproberen moverse = zich bewegen el juego de rol = het rollenspel la actividad física = de lichamelijke activiteit táctil = gericht op de tastzin recortar = uitknippen reconstruir = reconstrueren desordenado = door elkaar el mural = de muurschildering grupal = gericht op groepsleren individual = individueel el esquema = het schema anotar = opschrijven