Spaans : Nederlands la construcción = de bouw el jardín = de tuin la planta = de verdieping el garaje = de garage la plaza de garaje = de parkeerplek el recibidor = de (ontvangst)hal el despacho = het kantoor el lavadero = het washok el salón-comedor = de woonkamer met eetgedeelte el trastero = de berging la sala de juegos = de speelkamer la vista = het uitzicht el ático = het penthouse en perfecto estado = in perfecte staat el parqué = het parket totalmente equipado = met alle toebehoren el aseo = de wc el salón = de woonkamer la cocina americana = de open keuken amueblar = meubileren el ascensor = de lift luminoso = licht listo = klaar el pediatra / la pediatra = de kinderarts la consulta = de praktijk / het consult a domicilio = aan huis el nivel adquisitivo = de koopkracht el repartidor = de bezorger la repartidora = de bezorgster pescar = vissen