Spaans : Nederlands el súper = de supermarkt oiga = zeg / pardon tener prisa = haast hebben estar prohibido = verboden zijn apetecer = zin hebben in / aantrekkelijk lijken el chocolate = het cholocaatje / de chocolade estar a régimen = op dieet zijn callarse = zijn mond houden el boli = de pen la papelería = de kantoorboekhandel tener hora = weten hoe laat het is bajarse = uitstappen