Spaans : Nederlands pedir prestado = te leen vragen pedir disculpas = zich verontschuldigen dar las gracias = bedanken saludar = begroeten la floristería = de bloemenwinkel urgentemente = dringend el ramo = de bos / het boeket darse cuenta = zich realiseren el dinero en metálico = het muntgeld inspirar confianza = vertrouwen inboezemen el turno = de beurt limpiar = schoonmaken molesto = geërgerd dar órdenes = bevelen geven