Spaans : Nederlands emocionante = spannend la envidia = de jaloezie ¡qué curioso! = Wat vreemd! el plan = het plan el vuelo = de vlucht el elefante = de olifant ¿en serio? = Echt? el poblado = de nederzetting / de plaats la jirafa = de giraf el aro = de ring el cuello = de hals tener cuidado = voorzichtig zijn el mono / la mona = de aap agarrar = pakken / grijpen impresionante = indrukwekkend estrellarse = neerstorten el artículo = het artikel los EE. UU. = de VS mandar = sturen estupendo = geweldig excelente = uitstekend el rollo = de saaie boel pasárselo bien = het leuk hebben pasárselo mal = het niet leuk hebben aburrirse = zich vervelen