Spaans : Nederlands leer = lezen el Sur = het zuiden el día = de dag desde = vanaf el puerto = de haven hasta = tot tomar = nemen el brazo = de zijarm el Norte = het noorden el lago = het meer para = om te después / luego = daarna hacia = naar donde = waar almorzar = lunchen por la tarde = in de middag más tarde = later dentro = in dormir = slapen la cena = het diner el desayuno = het ontbijt a la / al = aan de el almuerzo = de lunch la despedida = het afscheid la ruta = de route lo = het el capitán = de kapitein el pasajero = de passagier el centro = het centrum