Spaans : Nederlands o = of no = geen / niet tiene = hij heeft el año = het jaar dos = twee el perro = de hond vive = hij woont España = Spanje habla = hij spreekt el inglés = het Engels el italiano = het Italiaans el teléfono = de telefoon / het telefoonnummer mi = mijn la madre = de moeder el último = de laatste el cumpleaños = de verjaardag la mascota = het huisdier el DNI = de identiteitskaart la foto = de foto la casa = het huis el móvil = het mobieltje