Spaans : Nederlands Francia = Frankrijk también = ook toca = bespelen el primo = de neef muy = erg / heel la guitarra = de gitaar ahora = nu canta = hij zingt solo = solo viaja = hij reist el disco = de cd el amor = de liefde oye = zeg / hé hago = ik doe me voy = ik ga weg el examen = de toets / het examen la Geografía = de aardrijkskunde el colegio = de school el deporte = de sport