Spaans : Nederlands la biblioteca = de bibliotheek el futuro = de toekomst el comedor = de eetzaal el gimnasio = de gymzaal el laboratorio = het scheikundelokaal la piscina = het zwembad el ordenador = de computer el mediodía = het middaguur la mañana = de morgen la tarde = de avond / de middag la noche = de nacht el aula = het klaslokaal tampoco = ook niet diferente = anders estudian = ze leren / ze studeren mismo = dezelfde tienen = ze hebben nuevo = nieuw gran = groot el artista = de kunstenaar Alemania = Duitsland Rusia = Rusland Italia = Italië pero = maar necesitan = ze hebben nodig el hijo = de zoon la hija = de dochter viajan = ze reizen por eso = daarom ir = gaan ninguno = geen enkele el pueblo = het dorp ni = noch / en geen los años = de jaren por la mañana = ’s ochtends por la noche = 's nachts / 's avonds por ejemplo = bijvoorbeeld trabajan = ze werken como = als