Spaans : Nederlands salimos = we vertrekken el lenguaje = het taalgebruik / de taal la conversación = het gesprek la televisión = de televisie la actividad = de activiteit digital = digitaal la excursión = de excursie la Historia = de geschiedenis las Mates = wiskunde el tenis = het tennis la Química = de scheikunde el animal = het dier la lengua = de taal la hora = de tijd / het uur juego = ik speel el sonido = de klank el jardín = de tuin el jueves = de donderdag la jota = de j el jamón = de ham