Spaans : Nederlands la educación = de opvoeding / het onderwijs por = door el noviembre = november el derecho = het recht recibir = krijgen gratuito = gratis además = bovendien el programa = het programma el teatro = het theater la pintura = de schilderkunst este = deze hacen = ze maken / ze doen tocan = ze spelen (een muziekinstrument) el instrumento = het instrument dibujan = ze tekenen el objetivo = de bedoeling / het doel ofrecer = aanbieden creativo = creatief voy a = ik ga llueve = het regent los demás = de anderen si / cuando = als guapo = knap la paz = de vrede el baloncesto = het basketbal la natación = het zwemmen el judo = het judo el aeróbic = de aerobics el atletismo = de atletiek por suerte = gelukkig