Spaans : Nederlands la gente = de mensen vivo = ik woon el abuelo = de opa la abuela = de oma cerca = dichtbij en casa = thuis / in huis el marido = de man / de echtgenoot la mujer = de vrouw / de echtgenote pasar las vacaciones = de vakantie doorbrengen el papá = de papa la mamá = de mama el hermano mayor = de oudere broer la hermana mayor = de oudere zus el hermano pequeño = het kleine broertje la hermana pequeña = het kleine zusje la novia = de verloofde / de vaste vriendin busco = ik zoek la pareja = het stel / de partner simpático = aardig vago = lui callado = zwijgzaam / stil deportista = sportief sincero = eerlijk tímido = verlegen divertido = grappig / leuk llama = hij belt la cualidad = de kwaliteit / de goede eigenschap el defecto = het gebrek / de slechte eigenschap la afición = de hobby busca = hij zoekt escucha = hij luistert creo que sí = ik denk het wel no… nada = helemaal niet el mejor amigo = de beste vriend la mejor amiga = de beste vriendin el novio = de verloofde / de vaste vriend