Spaans : Nederlands latino = Latijns-Amerikaans estar de moda = in de mode zijn en todo el mundo = in de hele wereld el febrero = februari luchar = strijden contra = tegen así = zo el pescado = de vis frito = gefrituurd / gebakken el mango = de mango la sal = het zout el marisco = het schelpdier / het schaaldier el chocolate = de chocolade el escritor = de schrijver la escritora = de schrijfster encantar = dol zijn op el color = de kleur el actor = de acteur la actriz = de actrice nadar = zwemmen el mar = de zee la vida = het leven tener hambre = honger hebben tener sueño = slaap hebben reír = lachen preguntar = vragen adónde = waarheen qué lástima = wat jammer todo el día = de hele dag igual = hetzelfde aburrido = saai es verdad = dat is waar la tele = de tv la televisión = de televisie