Spaans : Nederlands hoy = vandaag abierto = open tranquilo = rustig muerto = dood empezar = beginnen terminar = ophouden la primavera = de lente importante = belangrijk ¿De quién es…? = Van wie is …? la raqueta = het racket los pantalones = de broek viejo = oud el invierno = de winter beber = drinken votar = stemmen deportivo = sportief haber = hebben la aventura = het avontuur