Spaans : Nederlands dormir = slapen la tienda de campaña = de tent el campamento = het kamp el viaje = de reis ser = zijn largo = lang pasarlo bien = het leuk hebben bien = goed charlar = kletsen jugar = spelen montar = opzetten cenar = ’s avonds eten el día = de dag todavía no = nog niet parar = stoppen la verdad = de waarheid la excursión = de excursie bañar = zwemmen el río = de rivier decir = zeggen la cabaña = de hut empezar = beginnen la clase = de les el profesor = de leraar la profesora = de lerares mucho = veel la semana = de week poder = kunnen creer = geloven conocer = leren kennen el chico = de jongen la chica = het meisje el teatro = het theater mandar = sturen el vídeo = video último = laatste la obra de teatro = het theaterstuk enseñar / aprender = leren el grupo = de groep terminar = afmaken ayudar = helpen la tarde = de middag tener ganas de = zin hebben in volver = teruggaan la casa = het huis único = enige la madre = de moeder la ducha = de douche caliente = warm levantarse = opstaan el amigo = de vriend la amiga = de vriendin querer = willen irse = weggaan aburrirse = zich vervelen estudiar = studeren lengua = de taal extranjero = vreemd el curso = de cursus echar de menos = missen la familia = de familie ducharse = zich douchen el agua = water frío = koud el abuelo = de opa la abuela = de oma la costa = de kust divertirse = zich vermaken salir = uitgaan el fin de semana = het weekend nada = niets especial = bijzonder un poco = een beetje el año = het jaar el mes = de maand la actividad = de activiteit gustar = leuk vinden el barrio = de wijk el estudiante = de student la estudiante = de studente encantar = heel leuk vinden seguir = doorgaan ganar = winnen el premio = de prijs el festival = het festival ahora = nu preparar = voorbereiden difícil = moeilijk vivir = wonen actualmente = tegenwoordig el sueño = de droom mirar = bekijken beber = drinken comer = eten favorito = favoriet el proyecto = het plan