Spaans : Nederlands el presente = de Presente dar = geven la forma = de vorm la televisiĆ³n = de televisie bailar = dansen el tango = de tango el sur = het zuiden el cine = de bioscoop haber / tener = hebben poner = leggen llover = regenen el cuento = het verhaal leer = lezen el examen = het examen baƱarse = zwemmen la piscina = het zwembad comprar = kopen la ropa = de kleding el internet = het internet el buen tiempo = het goede weer el pueblo = het dorp guapo = knap