Spaans : Nederlands la escuela = de school participar = deelnemen la experiencia = de ervaring la solidaridad = de solidariteit necesitar = nodig hebben la ayuda = de hulp la parte = het deel el dinero = het geld el material = het materiaal la bicicleta = de fiets personal = persoonlijk la carta = de brief la visita = het bezoek el ejemplo = het voorbeeld la organización = de organisatie el recreo = de pauze el alumno = de leerling la alumna = de leerlinge el país = het land organizar = organiseren la exposición = de tentoonstelling difundir = verspreiden el niño = het kind la situación = de situatie colaborar = samenwerken la fundación = de stichting la gente = de mensen pequeño = klein el lugar = de plaats la cosa = het ding cambiar = veranderen el mundo = de wereld el proverbio = het gezegde la banda = de band el argumento = de plot perderse = zich verliezen el mal genio = slechte humeur normal = normaal la manía = het vreemde trekje desesperar = wanhopen el fragmento = het fragment el álbum = het album popular = populair el cantante = de zanger la cantante = de zangeres la formación = de formatie publicar = uitbrengen el disco = de cd el anuncio = de reclame la serie = de serie