Spaans : Nederlands el fútbol = het voetbal el autor = de schrijver la autora = de schrijfster famoso = beroemd la carne = het vlees nuevo = nieuw contar = vertellen la playa = het strand practicar = oefenen el tenis = het tennis la noche = de nacht demasiado = te veel la verdura = de groente la hamburguesa = de hamburger la cama = het bed junto = samen el autobús = de bus pronto = snel visitar = bezoeken el apellido = de achternaam la edad = de leeftijd la descripción = de beschrijving el tiempo libre = de vrije tijd