Spaans : Nederlands la fuerza = de kracht nacer = geboren worden la moto = de motor la carrera = de race el campeonato = het kampioenschap masculino = voor mannen la edición = de editie femenino = voor vrouwen la categoría = de categorie el campeón = de kampioen el ganador = de winnaar el viajero = de reiziger el escritor = de schrijver entrar = naar binnen gaan el hospital = het ziekenhuis la pierna = het been la enfermedad = de ziekte curarse = genezen recuperar = terugkrijgen usar = gebruiken solo = alleen el equipaje = de bagage el novio = de vriend la novia = de vriendin filmar = filmen el documental = de documentaire recibir = krijgen numeroso = verscheidene el foro = het forum el discapacitado = met een beperking aparecer = verschijnen el director = de dirigent la orquesta = het orkest el sistema = het systeem el tiempo = de tijd después = daarna nacional = nationaal la juventud = de jeugd premiar = een prijs uitreiken aan el arte = de kunst la universidad = de universiteit extraordinario = buitengewoon internacional = internationaal llevar = brengen la comunidad = de sociale groep marginado = in een achterstandspositie el instrumento = het instrument joven = jong apoyar = ondersteunen el problema = het probleem el político = de politicus la política = de politica la pintora = de schilderes el científico = de wetenschapper la científica = de wetenschapster el deportista = de sporter la deportista = de sportster el atleta = de atleet la atleta = de atlete el actor = de acteur la actriz = de actrice regalar = cadeau doen