Spaans : Nederlands correr = rennen el ejercicio = de oefening trabajar = werken patinar = schaatsen la Navidad = Kerstmis divertido = leuk la fecha = de datum anteayer = eergisteren el nacimiento = de geboorte durante = tijdens el equipo = het team de mayor = op volwassen leeftijd siempre = altijd aquí = hier el primer(o) = de eerste el segundo = de tweede el tercer(o) = de derde el cuarto = de vierde el quinto = de vijfde el sexto = de zesde el séptimo = de zevende el octavo = de achtste el noveno = de negende el décimo = de tiende la guitarra = de gitaar tampoco = ook niet por fin = uiteindelijk dejar = stoppen met la gimnasia = de gymnastiek gran = groots el título = de titel profesional = professioneel el bolígrafo = de pen el hijo = de zoon / het kind la hijo = de dochter la habitación = de slaapkamer el bocata = het belegde broodje el atún = de tonijn el cielo = de hemel