Spaans : Nederlands el azteca = de Azteek el mito = de mythe la piedra = de steen la arquitectura = de architectuur el vestido = het kostuum la costumbre = de gewoonte el palacio = het paleis fundar = stichten el imperio = het rijk reinar = heersen el territorio = het grondgebied la isla = het eiland el lago = het meer poblado = dichtbevolkt disponer de = beschikken over el avance tecnológico = de technologische vooruitgang el agua potable = het drinkwater el canal = het kanaal navegar = varen el ejército = het leger el principio = het begin el fin = het einde desaparecer = verdwijnen