Spaans : Nederlands la natación = het zwemmen el voleibol = het volleybal el badminton = het badminton el béisbol = het basketbal el balonmano = het handbal el hockey = het hockey el rugby = het rugby el pie = de voet la mano = de hand ya no = niet meer el bailarín = de danser la bailarina = de danseres la bebida = het drankje la rutina = de routine el hábito = de gewoonte decidir = beslissen continuar = doorgaan en serio = serieus entrenar = trainen el tipo = het type chulo = tof expresar = uitdrukken la emoción = de emotie consumir = gebruiken tener cuidado = oppassen el brazo = de arm sano = gezond posible = mogelijk la postura = de houding doler = pijn doen la espalda = de rug romperse = breken el carácter = het karakter la vida sana = het gezonde leven ocupado = druk el kárate = het karate desde hace = sinds + periode desde = sinds + moment