Spaans : Nederlands la instrucción = de instructie bajar = naar beneden gaan llenar = vullen saltar = springen girar = draaien levantar = optillen el gimnasio = de sportschool proponer = voorstellen el aparato = het apparaat la escalera = de trap propio = eigen la revista = het tijdschrift la escoba = de bezem paralelo a = parallel met la cintura = de taille moverse = zich bewegen la botella = de fles magnífico = voortreffelijk el reloj = de klok / het horloge el resultado = het resultaat la libreta = het notitieboekje cocinar = koken recomendable = aan te raden cómodo = comfortabel el bolígrafo = de pen la respuesta = het antwoord contestar = antwoorden entregar = inleveren repasar = nog eens doornemen la rodilla = de knie la barriga = de buik el codo = de elleboog la nariz = de neus la boca = de mond la cara = het gezicht auténtico = authentiek la educación = het onderwijs el entusiasmo = het enthousiasme simultáneo = gelijktijdig superlativo = alles overtreffend