Spaans : Nederlands sentirse = zich voelen el protagonista = de hoofdpersoon aproximadamente = ongeveer pasar miedo = bang zijn pedir ayuda = om hulp vragen pasar = overkomen anochecer = nacht worden estar perdido = verdwaald zijn ¡qué divertido! = wat leuk! comentar = opmerken el fantasma = het spook ahora mismo = nu meteen tener cobertura = bereik hebben gritar = schreeuwen la luz = het licht ¡qué suerte! = wat een geluk! la bruja = de heks despacio = langzaam extraño = vreemd ¡qué susto! = wat eng! de repente = plotseling llover = regenen el grito = de schreeuw ¡ayuda! = help! ¡qué daño! = dat doet pijn! estar asustado = geschrokken zijn responder / contestar = antwoorden finalmente = uiteindelijk al final = aan het eind