Spaans : Nederlands narrar = vertellen el asesinato = de moord basado en = gebaseerd op a principios de = aan het begin van real = echt la luna = de maan el fragmento = het fragment parecerse = lijken op el período = de periode la cantidad = de hoeveelheid la comedia = de komedie el anochecer = het vallen van de avond permanecer = blijven el asiento = de zitplaats el baile = de dans asistir = bijwonen frente a = tegenover el encuentro = de ontmoeting la función = de functie permitir = toelaten