Spaans : Nederlands calcular = berekenen la entrevista = het interview el hogar = het thuis mostrar = laten zien la necesidad = de noodzaak la causa = de oorzaak evitar = vermijden disminuir = verminderen la mitad = de helft el caso = het geval la infección = de infectie el sida = de aids escolar = school- dedicarse = zich wijden aan