Spaans : Nederlands cometer un error = een fout maken intentar = proberen la confianza = het vertrouwen tomar una decisión = een beslissing nemen el colega = de collega la confrontación = de confrontatie inmediatamente = onmiddellijk la idea = het idee positivo = positief tener éxito = succes hebben ser capaz de = in staat zijn om el control = de controle actuar = handelen la intuición = de intuïtie adecuado = geschikt