Spaans : Nederlands elegir = kiezen la beca = de studiebeurs fundamental = hoofd- formar = vormen enriquecerse = zich verrijken la convivencia = het samenleven presidir = overheersen dirigir = leiden aconsejar = advies geven la duda = de twijfel el escultor = de beeldhouwer la escultora = de beeldhouwster el programa = het programma pertenecer a = behoren tot técnico = technisch superior = hoger tener lugar = plaatsvinden el lugar de origen = de plaats van herkomst generar = genereren destacar = zich onderscheiden la institución = de instelling el sector = de sector empresarial = bedrijfs- educativo = educatief el participante = de deelnemer la participante = de deelneemster adjuntar = bijvoegen