Spaans : Nederlands el convento = het klooster la obligación = de verplichting la religiosidad = de godsdienstigheid la calavera = de schedel asustarse = schrikken emprender = ondernemen pacientemente = geduldig la aparición = de verschijning el espíritu = de geest el bien = het goede el mal = het kwaad el castigo = de straf hábil = vaardig