Spaans : Nederlands había una vez = er was eens el rey = de koning la reina = de koningin el palacio = het paleis el tejedor = de wever la tela = het doek verdadero = echt ordenar = bevelen fabricar = vervaardigen el oro = het goud la plata = het zilver la seda = de zijde avisar = melden la compañía = het gezelschap la verdad = de waarheid el individuo = het individu la virtud = de goede eigenschap afirmar = bevestigen enviado = gestuurd falso = vals la variedad = de verscheidenheid el reino = het koninkrijk a causa de = vanwege la sospecha = de verdenking el gobernador = de gouverneur el cargo = de betrekking para la ocasión = voor de gelegenheid envuelto = ingepakt la sábana = het laken el lino = het linnen desenvolver = uitpakken desear = wensen la medida = de maat cortar = knippen coser = naaien invisible = onzichtbaar montar a caballo = paardrijden el cazador = de jager salvador = de redder malvado = verdorven feroz = woest el príncipe = de prins la principesa = de prinses el dragón = de draak temible = afschrikwekkend aterrador = angstaanjagend bondadoso = goed el carpintero = de timmerman el hada = de fee la carpintería = de timmerwerkplaats dar vida = levend maken la sorpresa = de verrassing el monarca = de monarch