Spaans : Nederlands la familia = de familie tener = hebben el árbol genealógico = de stamboom el abuelo = de grootvader la abuela = de grootmoeder el tío = de oom la tía = de tante el primo = de neef la prima = de nicht casado = getrouwd el médico = de arts el banco = de bank el marido = de echtgenoot el nieto = de kleinzoon la nieta = de kleindochter el sobrino = het neefje la sobrina = het nichtje la conversación = het gesprek la descripción = de beschrijving madrileño = Madrileens el pueblo = het dorp el camionero = de vrachtwagenchauffeur el barrio = de wijk la profesión = het beroep la información = de informatie el indio = de indiaan la india = de indiaanse arahuaco = Arawak la montaña = de berg allí = daar la tradición = de traditie el agricultor = de boer la vaca = de koe normalmente = normaal gesproken vender = verkopen el producto = het product bordar = borduren la naturaleza = de natuur el animal = het dier la planta = de plant