Spaans : Nederlands
el brazo = de arm
el pecho = de borst
el estómago = de buik / de maag
el dedo = de vinger
la pierna = het been
el cuello = de nek / de hals
la espalda = de rug
el pelo = het haar
la boca = de mond
la oreja = het oor
la cara = het gezicht
la nariz = de neus
el labio = de lip
el diente = de tand
la muela = de kies
el cuerpo = het lichaam
el final = het einde
el adulto = de volwassene
el monstruo = het monster
enorme = enorm
la práctica = het beoefenen
el surf = het surfen
la altura = de hoogte
la ola = de golf
magnífico = prachtig
el surfista = de surfer
deslizarse = glijden
la tabla = de plank
medir = lang zijn / meten
pesar = wegen
atado = vastgebonden
la correa = de riem
así = zo
caerse = vallen
perder = verliezen
practicar surf = surfen
practicar = beoefenen
corto = kort
rubio = blond
castaño = bruin
las gafas de sol = de zonnebril
las gafas = de bril
el sol = de zon
negro = zwart
rizado = krullend-