Spaans : Nederlands la práctica = het beoefenen el surf = het surfen la altura = de hoogte la ola = de golf magnífico = prachtig el surfista = de surfer deslizarse = glijden la tabla = de plank medir = lang zijn / meten pesar = wegen atado = vastgebonden la correa = de riem así = zo caerse = vallen perder = verliezen