Spaans : Nederlands dibujar = tekenen beber = drinken ahora mismo = op dit moment las matemáticas = de wiskunde el naranjo = de sinaasappelboom el joven = de jongere levantarse = opstaan ducharse = douchen la tienda de campaña = de tent el atletismo = de atletiek dividido = verdeeld la leña = het brandhout el fuego = het vuur verdaderamente = echt parar = stoppen esperar = wachten op / hopen los padres = de ouders por fin = eindelijk el fin = het einde