Spaans : Nederlands comparar = vergelijken sociable = vlot in de omgang invitar = uitnodigen próximo = komend la noticia = het nieuws dejar de = ophouden met relacionarse = omgaan met los demás = de anderen cuidado = pas op no olvides = vergeet niet la obligación = de verplichting la encuesta = de enquête el día de diario = de doordeweekse dag el programa = het programma perdona = sorry la aventura = het avontuur comunicarse = contact hebben met la colaboración = de medewerking ganar = winnen la liga = de competitie pasarlo bien = het naar zijn zin hebben el adverbio = het bijwoord acabar = afmaken la ópera = de opera