Spaans : Nederlands hace calor = het is warm hace … = het is … está nublado = het is bewolkt la tormenta = het onweer hay tormenta = het onweert hace buen tiempo = het is goed weer el sol = de zon hace sol = de zon schijnt la niebla = de mist hay niebla = het is mistig llover = regenen el viento = de wind nevar = sneeuwen a continuación = daarna esquiar = skiën el terremoto = de aardbeving el incendio = de brand el tornado = de tornado la inundación = de overstroming la granizada = de hagelbui el fenómeno = het verschijnsel la lluvia = de regen convertirse = veranderen in el desastre natural = de natuurramp producirse = gebeuren violento = gewelddadig el planeta = de planeet la tierra = de aarde el granizo = de hagel la cantidad = de hoeveelheid el campo de cultivo = de landbouwgrond matar = doden el ganado = het vee estropear = verwoesten la cosecha = de oogst destruir = vernietigen el prado = het weiland el bosque = het bos vegetal = plantaardig la víctima = het slachtoffer humano = menselijk causar / ocasionar = veroorzaken fuerte = hevig el desbordamiento = het uit de oevers treden la rotura = het barsten la presa = de stuwdam el movimiento = de beweging la carretera = de snelweg el puente = de brug la desgracia = de ellende la descarga eléctrica = de elektrische ontlading eléctrico = elektrisch el relámpago / el rayo = de bliksemschicht la corriente = de luchtstroom girar = draaien tener lugar = plaatsvinden